“Welkom… thuis bij het Oermens,” zegt Robert Maaskant, terwijl hij de houten ruimte in kijkt alsof hij een museum binnenloopt. “We zitten hier in zijn blokhut.” En nog voordat het gesprek over voetbal gaat, gaat het over wat hier staat: hout, handenarbeid, geduld. Geen decor. Geen façade. Eerder het omgekeerde: een plek waar je niks kan faken.

Maaskant heeft net een rondleiding gehad. Hij is zichtbaar onder de indruk. “Indrukwekkend. Jij hebt dit gewoon allemaal eigenhandig neergezet, hè?”
Gertjan Verbeek glimlacht droog. “Ja, hier stond je niks.”
Twee bouwkavels. Op de ene een blokhut. Op de andere een houten chalet. En dit — waar ze nu zitten — was geen project voor een sabbatical. Dit was Verbeek midden in zijn carrière. “Ik was toen trainer van AZ…” vertelt hij. “Ik deed dat in de interlandweekenden… in vakanties… en dat hield dan op met vier weken in de bouwvak. Dus ik heb hier wel drie of vier jaar over gedaan voordat het echt af was.”
Als je wil weten wie Verbeek is, hoef je alleen maar naar de wanden te kijken. Alles zit strak. Functioneel. Geen overbodige tierelantijnen. Je voelt dezelfde mentaliteit die je op zijn elftallen plakte: organisatie, discipline, gewoon dóór.
Maaskant vraagt hardop wat iedereen denkt: “Is dit nou typerend voor jou als mens… dat je denkt: ik heb nog even tijd tussen mijn trainerscarrière door en ik ga gewoon even twee huizen bouwen?”
Verbeek aarzelt niet. Het gaat hem niet om hobbyisme. Het gaat om noodzaak, om grip. “Nou ja… als straks het eventueel toch losgaat in Lelystad… dan komen hier de vliegtuigen in de laagvliegroute over Dalfsen heen. En dan is de vraag of we hier blijven wonen.” En dan volgt die typische Verbeek-zin: praktisch, zonder sentiment. “Dan zou ik… nog weer een keer een project uitzoeken waarin ik of helemaal nieuw kan bouwen of iets kan renoveren.”
Alsof hij het over een selectie heeft. Blijven? Dan verbouwen. Weg? Dan opnieuw opbouwen.
Je kunt dat niet met elkaar vergelijken
De blokhut is rust. Maar voetbal sluipt altijd binnen. Maaskant ratelt zijn CV af als een opsomming die je pas gelooft als je ‘m hardop hoort: Heerenveen, Heracles, Feyenoord, weer Heracles, AZ, Duitsland (Nürnberg, Bochum), FC Twente, Adelaide, Almere City.
En dan de vraag die hem overal achtervolgt: welke club zit het dichtst bij het hart?
Verbeek: “Die vraag krijg ik wel vaker, maar je kunt dat eigenlijk niet met elkaar vergelijken.” Sportief waren Heerenveen en AZ hoogtepunten. “Europees voetbal vaak… overwinteren… ik heb ook meer dan 70 wedstrijden Europa League achter mijn naam staan.” En ja, hij won ook prijzen: “de beker gewonnen met AZ… trouwens ook met Adelaide.”

Maar er is iets anders dan prijzen: bouwen aan een club die eigenlijk niet “betaald voetbalwaardig” was. “Als je kijkt naar samenhorigheid… samen dingen doen, ondernemen, iets neerzetten… dan praat ik over de beginperiode Heracles… met Jan Smit. Daar hebben we daadwerkelijk wat neergezet.”
Hij vertelt hoe Heracles ooit was afgeschreven als profclub. “Er is maar één plek in het oosten… dat is Twente.” En toch bewees Heracles het tegendeel: “Heracles heeft aangetoond dat er gewoon een plek is voor twee clubs in het oosten.”
Hij zegt het bijna vaderlijk: trots, maar ook zorg. “Alleen ja… op dit moment gaat het niet zo goed helaas met die club.”
Heracles nu: dit is structureel
Het gesprek schuift naar het heden, en dan gaat Verbeek van hout naar staal. Hij vindt het niet één incident, niet één trainer, niet één slechte reeks. “Het is niet alleen dit seizoen… het is eigenlijk al structureel… na Wormuth is het eigenlijk al misgegaan.”
De kernzin komt snel: “Het is niet een slechte trainer of een slechte spelersgroep… maar dit is structureel.”
En dan die analyse die je van hem gewend bent: systeemfouten, geen topsportklimaat, te veel wisselingen. “Heracles heeft al structureel de laatste… hoeveel trainers versleten.” En hij haalt Van der Looi aan als signaal: “Als jullie niet willen veranderen… dan verleng ik mijn contract niet.”
Maaskant vraagt het bijna verbaasd: waarom bellen ze hem niet als troubleshooter? Hij kent de club. Hij woont dichtbij. Het ligt hem aan het hart.
Verbeek: “Geen idee. Dat moet je niet aan mij vragen.” Wel is hij gebeld — door commissarissen. “Om eens te praten hoe ik tegen Heracles aankijk.” En dan zie je wie hij is: “Als je me om mijn mening vraagt, moet je ook eerlijk je mening geven… niet om de boel te dempen.”
Geen veldjunkie meer
En dan iets dat in de blokhut extra geloofwaardig klinkt: hij hoeft niet meer terug de ratrace in. “Ik heb niet meer zozeer de behoefte om zeven dagen in de week op het veld te staan.” Niet omdat hij uitgeblust is — eerder omdat hij nu anders kijkt naar waarde.
Hij vertelt dat hij nu een KNVB-opleiding volgt richting beleidsrollen. “Ik ben al bezig… één module gehad en binnenkort de volgende.” Hij wil weten wat ze aanbieden en hoe zijn kennis zich daartoe verhoudt. “Hoe ver reikt mijn kennis… is het anders dan de kennis die ik heb?”
Het gesprek komt vanzelf bij scouting en data. In Como bijvoorbeeld gaat het bijna volledig via data, vertelt hij. “Daar teren ze eigenlijk alleen maar op data… er wordt bijna niet meer een speler bekeken.” En dan een detail dat blijft hangen: “75 punten op een soort checklist… als je daar niet aan voldoet gaan ze niet eens kijken.”

Maar Verbeek blijft Verbeek: niet dogmatisch. “Ik ben meer een voorstander van een combinatie van data en zelf een aantal keren gaan kijken.” Want context blijft menselijk. Hij noemt voorbeelden zoals Petter Hansson die op het middenveld speelde maar “een laatste man” bleek, of Alves die volgens hem geen 10 was maar een spits. Het zijn dezelfde keuzes die een blokhut laten staan: je moet weten waar het gewicht hoort.
Feyenoord: de mislukte verbouwing die hem bleef achtervolgen
En dan komt de periode die Nederland nooit helemaal loslaat: Feyenoord. In de stellingen zegt hij meteen: “Ik had het volledig anders moeten doen bij Feyenoord? Oneens.”
Hij is wars van het sprookje dat hij de “verbouwing” was. “Die verbouwing… daar heb ik totaal geen invloed op.” Feyenoord haalde hem juist omdat ze modernisering nodig hadden. “Ze hebben mij gevraagd als trainer… omdat ze al een aantal jaren op de vijfde, zesde plaats waren geëindigd… schuld van 42 miljoen opgebouwd… ze trainden vier keer in de week.”
Hij was bekend als iemand die veel op het veld stond en ook in het krachthonk. “Ik werkte met een sportpsycholoog.” Dat was precies waarom technisch directeur Peter Bosz hem wilde. Maar in de uitvoering ontstond ruis en weerstand. De grootste bekentenis komt eerlijk: “De fout die wij gemaakt hebben is dat we dingen slecht hebben gecommuniceerd.”
Niet iedereen werd meegenomen. Rollen veranderden. Ruimtes veranderden. “Dat werd ze gewoon opgedrongen.” En over Bas van Noortwijk is hij helder: “Tussen Bas en mij heeft nooit gewerkt.”
Het is een Feyenoord-verhaal, maar eigenlijk is het een managementverhaal. Over verandering zonder draagvlak. Over structuur die botst met identiteit. Over een trainer die het liefst bouwt, maar in Rotterdam in een verbouwing terechtkwam waar iedereen zijn eigen gereedschap meebracht.
Gert en Jan
Maaskant gaat naar het imago: nors, moeilijk, hard. Verbeek veert op bij die framing. “Het is een misvatting dat ik een nors persoon ben.” Hij ontkent niet dat hij confronterend kan zijn. Hij zet het in topsportlogica: “Je bent met topsport bezig, je moet presteren… op het moment dat het niet gaat zoals jij wilt… dan ben ik wel iemand die de confrontatie aangaat.”
En dan komt die karaktertekening van Riemer van der Velde: “Gertjan, je hebt een Gert en een Jan. Met Gert is goed en plezierig samen te werken. En Jan… dan zie je al aan de manier waarop die binnenkomt dat het dondert en bliksemt.”
Dat past bij de blokhut. Je bouwt geen huis door aardig te kijken. Soms moet je doorpakken. Soms moet je zeggen: dit staat scheef. Dit moet anders.
Cultuurbewakers
Hij is het hartgrondig oneens met de stelling dat cultuurbewakers overbodig zijn. “Oneens.” Hij legt uit waarom: teams hebben verlengstukken nodig. “Dat soort cultuurbewakers zijn heel belangrijk… nieuwe spelers moeten mee in dat stramien. Zo niet… dan spelen ze niet.”
Hij noemt hoe het bij AZ werkte met Moisander en Rasmus Elm. “Heel veel dingen kwamen niet eens bij mij terecht, want dat lossen zij op.” En hij ziet meteen het gevaar als zulke figuren wegvallen: “Toen zij wegvielen… moest ik steeds meer zelf daarin leidend zijn.”
Maar hij maakt ook een keuze die veel trainers niet expliciet zo uitspreken: hij was liever niet te veel in de kleedkamer. “De kleedkamer moet een veilige situatie zijn… de kleedkamer is voor spelers en niet voor trainers.”
Maaskant lacht: hij zat juist vaak in de kleedkamer. Twee trainers, twee stijlen. Maar in de blokhut is er ruimte voor die verschillen — zonder dat iemand zijn gelijk hoeft te bewijzen.
Het leven na voetbal
Dan, bijna ongemerkt, verschuift het gesprek naar leven. Verbeek is laat vader geworden; zijn dochter is bijna negen. En je hoort hoe dat hem heeft herijkt. “Je krijgt vaak voorgeschoteld: als je geen kinderen hebt, weet je niet hoe het is… daar hebben mensen ook gelijk in.”
Het verandert je vrijheid. “Nu moet ik veel meer overleggen… kan ik niet meer zomaar mijn eigen gang gaan.” En het verandert je avonden. “Tegenwoordig is het wel heel normaal dat je ’s avonds na een wedstrijd gewoon thuiskomt.”
En ja, hij is streng: “8 uur is 8 uur.”
Vrouw en dochter van Gertjan Verbeek
In de blokhut staat een Boeddha. En in de tuin hangt ook een Jezusbeeld. Verbeek is niet gelovig, maar wel nieuwsgierig. “Ik ben niet gelovig, maar ik interesseer me wel in geloof… waarom mensen hun geloof hebben.” Het boeddhisme raakt hem ook. “Ik doe ook aan yoga om te ontspannen… en de stress weg te geraken.”
Ambitie dan? Hij klinkt niet als iemand die iets moet bewijzen. Eerder als iemand die wil kiezen. “Ik wil rond mijn 65 zelf kunnen bepalen wat ik wil doen… dat ik niet meer afhankelijk ben.” En hij zegt het met een rustige nuchterheid die je in voetbal zelden hoort: “Je weet nooit hoe lang je nog op deze aardkloot bent.”
De pareltjes zitten niet meer in een tactische wissel, maar in tijd. “Dat ik van de week weer een hele week met mijn dochter en met mijn vrouw heb kunnen skiën… dat zijn wel de pareltjes.”
Een man van hout
Aan het einde bedankt Maaskant hem. “Ik vind het mooi om je ook een keer op een andere manier te zien… in je eigen omgeving.” En dat is precies wat deze blokhut doet: hij trekt Verbeek uit het stereotype. Je ziet de trainer, ja. Maar je ziet vooral de bouwer.
Iemand die in de weekenden een huis optrekt. Iemand die in de voetbalwereld structuur zoekt en soms botsing krijgt. Iemand die gelooft in cultuurbewakers, maar ook in privacy van de kleedkamer. Iemand die het hokje “nors” afwijst, maar niet terugdeinst voor donderen en bliksemen als het moet.
En als je dan nog één zin wil die de blokhut en de mens samenbindt, dan is het deze: Verbeek wil best weer bouwen — maar alleen als hij zelf de fundering mag leggen.



