Clubs zijn het zat: stop met schuiven in de nacompetitie

De nacompetitie wordt verkocht als voetbal op het scherpst van de snede, maar de meeste irritatie zit dit keer niet in een penalty of een rode kaart. Het gaat om de opzet. Die frustratie wordt duidelijk in de podcast De Bestuurskamer. 

(Tekst gaat verder onder afbeelding)

Telstar promoveerde afgelopen seizoen ten koste van Willem II in de nacompetitie
Telstar promoveerde afgelopen seizoen ten koste van Willem II in de nacompetitie

Tot voor kort stroomde die nummer zestien in de halve finale in. Dit jaar gebeurt dat volgens de betrokkenen pas in de finale, “vanwege het schema en het WK”. Dat lijkt een administratief detail, maar het verandert de route naar promotie of lijfsbehoud. 

FC Groningen en Heracles wijzen naar dezelfde plek: de instroomregel

FC Groningen-directeur Frank van Mosselveld is in De Bestuurskamer vrij direct. Hij schetst het verschil tussen “tot voor kort” en “dit jaar” en komt uit bij dezelfde kern: consistentie. Volgens Van Mosselveld wordt er te vaak vanuit het belang van één seizoen of één club gedacht, terwijl je eigenlijk één verhaal moet hebben dat je elk jaar kunt uitleggen.

Heracles-directeur Rob Toussaint sluit daarbij aan. Hij zegt dat zijn mening over de nacompetitie niet verandert, of zijn club nu in de Eredivisie speelt of in de Keuken Kampioen Divisie. Dat is een belangrijke nuance, omdat de discussie vaak verzandt in wantrouwen: iedereen roept alleen wat hem uitkomt. Toussaint probeert die angel eruit te halen. Het gaat hem om voorspelbaarheid in de competitieopzet.

Waarom ‘consistentie’ ineens een groot woord is in de Keuken Kampioen Divisie

Consistentie klinkt als een bestuursterm, maar in het voetbal is het vooral praktisch. Clubs plannen seizoenen op basis van vaste kaders: trainingsopbouw, selectiebreedte, fitheid, zelfs de manier waarop je risico’s neemt in januari. De nacompetitie is al een aparte wereld met korte reeksen en veel druk. Als ook de route ernaartoe jaarlijks van vorm verandert, wordt het lastig om te doen alsof het één vaste test is.

Een instroommoment dat een ronde verschuift, heeft echte gevolgen. In de ene variant kun je met twee topavonden promotie ruiken, in de andere moet je eerst een extra horde nemen voordat de Eredivisie-ploeg überhaupt in beeld komt. Het lijkt erop dat dit precies is waar directeuren zich aan storen: niet dat er één ‘perfect’ model bestaat, maar dat elk seizoen voelt als een nieuw model.

PSV mengt zich in de discussie en dat is niet onbelangrijk

Opvallend detail: PSV duikt nadrukkelijk op in het gesprek. Jan Willem van Dop, directeur van Go Ahead Eagles, vertelt dat PSV tijdens een bijeenkomst van Europees spelende clubs een duidelijke mening heeft geopperd. Van Dop zegt erbij dat het hem verbaasde dat clubs die “nooit in die zone terechtkomen” zo stellig zijn, maar hij noemt de lijn van PSV ook “juist”.

Wat PSV precies als oplossing heeft neergelegd, wordt in deze context niet helemaal uitgespeld. Dat is een beperking van de beschikbare informatie. Wel is duidelijk dat PSV in elk geval op dezelfde plek uitkomt als de andere bestuurders: maak het stabiel, maak het uitlegbaar. Als een topclub zich actief met een ‘onderin’-regel bemoeit, verandert dat de dynamiek. Het debat wordt minder een gevecht tussen KKD en Eredivisie, en meer een vraagstuk dat de hele competitie raakt.

Het probleem van schuiven: de discussie na afloop wordt groter dan de wedstrijd

De nacompetitie is hard, soms onrechtvaardig, maar iedereen accepteert dat omdat het tenminste duidelijk is. Als je dat laatste weghaalt, krijg je een ander soort frustratie: na afloop gaat het niet meer alleen over kansen missen, maar over “de route” en “de omstandigheden”. Supporters herkennen dat meteen. Als de Eredivisie-ploeg later instroomt, voelt het voor KKD-clubs alsof de weg iets minder steil is. Als hij eerder instroomt, voelt het alsof je sneller tegen de muur aanloopt. Het zijn twee verschillende toernooien met dezelfde naam.

Het competitiebestuur moet kiezen, ook als niet iedereen juicht

De oproep van Van Mosselveld is in feite simpel: het belang van het voetbal moet voorop staan, niet het individuele belang van een club. Dat klinkt netjes, maar het is ook een tik op de vingers richting besluitvorming die te vaak meebeweegt met uitzonderingen. Schema’s, toernooien, internationale verplichtingen: het zijn echte factoren, maar ze mogen niet elk jaar het fundament van de nacompetitie verplaatsen.

Toussaint zegt iets dat daarbij past: volgens hem lopen de meningen inhoudelijk niet eens zo uiteen. Het probleem is dat er geen keuze wordt gemaakt die jarenlang blijft staan. Als dat klopt, is de oplossing niet ingewikkeld. Je kiest een instroommoment voor de nummer zestien, je legt het vast, en je verandert het alleen als je het hele systeem opnieuw evalueert. Niet omdat het in één seizoen net handiger uitkomt.

De nacompetitie blijft wreed, maar moet wel herkenbaar blijven

De nacompetitie zal altijd rommelig voelen. Dat hoort bij knock-outvoetbal. Een team kan in mei beter zijn dan in maart, een keeper kan uitglijden, een corner kan alles veranderen. Die chaos hoort bij het product. Alleen moet het chaos zijn binnen duidelijke lijnen. Clubs willen dat de nacompetitie weer gaat over wat je op het veld kunt beïnvloeden. Over negentig minuten, soms iets langer. Niet over het gevoel dat de spelregels onderweg weer een bocht maken.

Als competitie moet je hier ook eerlijk over zijn: welk model je ook kiest, er zullen altijd clubs zijn die er op dat moment nadeel van ondervinden. Dat is niet te voorkomen. Wat je wel kunt voorkomen, is dat het ieder jaar een nieuw gesprek moet zijn en dat gesprek zijn ze zat.

Open voetbalpiramide: van amateur naar Eredivisie, kan dat?

Salarissen scheidsrechters
Duurste Nederlandse voetballers