'PSV wordt niet het Bayern München van Nederland'

Soms klinkt een voetbalstelling eerst als een plaagstoot richting een topclub, terwijl er bij nader inzien iets veel groters onder ligt. Dat is hier ook zo. Menno Pot schrijft in Het Parool dat PSV niet het Bayern München van Nederland zal worden, en eigenlijk gaat dat maar deels over PSV. Zijn echte punt zit dieper. Hij legt bloot waarom Nederlandse topclubs wel een paar jaar de toon kunnen zetten, maar bijna nooit een tijdperk kunnen dichttimmeren.

(Tekst gaat verder na de afbeelding)

PSV wordt niet het Bayern Munchen van Nederland

Dat verschil is belangrijk.

Want dominantie in de Eredivisie wordt vaak te snel gezien als het begin van iets blijvends. Een sterk elftal, een slimme directie, wat Champions League-inkomsten, en meteen ontstaat de gedachte dat één club nu wel even los zal komen van de rest. Dat gebeurde eerder bij Ajax in de beeldvorming. Nu wordt die vraag weer op PSV geplakt. Pot gelooft daar niet in. En hoe langer je zijn redenering laat bezinken, hoe logischer die wordt.

De Eredivisie mist de financiële bodem voor een Bayern-scenario

De kern van Pots verhaal zit in de rekensom. De televisiegelden in Nederland zijn simpelweg te laag om een club structureel een economische voorsprong te geven die niet meer in te halen is. Als de achttien Eredivisie-clubs samen 117,5 miljoen euro verdelen, zegt dat eigenlijk alles. Dat bedrag klinkt groot zolang je binnen Nederland blijft kijken. Zet je het naast Engeland of Duitsland, dan valt meteen op hoe klein de hele markt is.

Daar zit de echte grens.

Bayern München kan in Duitsland een machtspositie opbouwen omdat de Bundesliga als geheel financieel zwaar genoeg is. Een topclub kan daar fouten opvangen, salarissen blijven betalen, sportieve dipjes overleven en toch dominant blijven. In Nederland is dat anders. Hier hangt veel sneller alles samen met één goed seizoen, één Europese run, één geslaagde verkoopzomer.

Daardoor is elke grote voorsprong tijdelijker dan mensen willen geloven.

PSV is sterk, maar ook PSV blijft in Nederland kwetsbaar

Dat betekent niet dat PSV geen uitstekende periode kan hebben. Natuurlijk wel. Een club kan goed beleid voeren, slim inkopen, de selectie op niveau houden en een paar jaar boven de rest uitstijgen. Alleen is dat nog iets anders dan het Bayern-model. Dat model gaat over structurele onaantastbaarheid. Over een club die in eigen land financieel zo ver wegloopt dat de competitie bijna voorspelbaar wordt.

Pot zegt eigenlijk: dat lukt hier niet.

Omdat ook PSV, hoe stabiel de club soms oogt, afhankelijk blijft van factoren die in Nederland veel sneller bewegen. Plaatsing voor de Champions League. Doorverkoop van spelers. Het opvangen van vertrek van sterkhouders. De impact van een minder seizoen. Dat zijn geen randzaken, dat zijn bij Nederlandse topclubs de hoofdassen van het model.

En juist daardoor blijft de marge klein.

Een kampioensploeg kan in een jaar tijd zomaar een stuk minder onaantastbaar ogen als de verkeerde spelers vertrekken en de Europese inkomsten teruglopen. Dat is geen incident, dat hoort bijna bij het systeem.

Ajax bewees eerder al hoe snel een vermeende grootmacht kan terugvallen

Daarom is de verwijzing van Pot naar Ajax ook sterk gekozen. Rond 2020 hing ook daar het gevoel dat de club financieel en sportief eindelijk definitief was losgekomen van de rest. Europese prestaties, transfersommen, uitstraling, een herkenbare speelstijl: het leek allemaal te wijzen op een nieuwe vaste orde. Alleen bleek ook daar hoe snel zo’n beeld kan schuiven.

Een paar minder goede keuzes, sportieve terugval, minder Europese zekerheid, en het verhaal werd meteen anders. Niet omdat Ajax ineens klein werd, maar omdat Nederlandse hegemonie veel fragieler is dan ze aanvoelt tijdens de piek. Precies dat wil Pot nu ook bij PSV onderstrepen.

Dus ja, PSV kan de komende jaren prijzen pakken. PSV kan ook best het beste beleid van het land voeren. Maar dat is nog geen bewijs dat de club zich onttrekt aan de wetten van de Eredivisie.

Niemand doet dat hier lang.

Nederlandse topclubs leven van pieken, niet van permanente controle

Misschien is dat wel de beste manier om het uit te leggen. Nederlandse topclubs bouwen geen imperium dat decennia vanzelf blijft staan. Ze leven eerder van piekperiodes. Soms zijn die heel indrukwekkend. Soms ook langer dan verwacht. Maar er blijft altijd een zekere breekbaarheid onder zitten.

Dat komt doordat de beste spelers zelden blijven. Doordat een Champions League-seizoen enorm veel goedmaakt, maar het uitblijven ervan meteen voelbaar is. Doordat salarishuizen in Nederland sneller scheef kunnen trekken als resultaten terugvallen. En ook doordat de rest van de subtop niet volledig stil blijft staan. Clubs als AZ, FC Twente en Feyenoord kunnen misschien niet jarenlang financieel domineren, maar ze kunnen wel degelijk periodes benutten waarin een topclub wankelt.

In Duitsland is Bayern vaak de constante en de rest reageert. In Nederland is de constante juist de schommeling.

Dat maakt de competitie onrustiger, maar ook eerlijker in haar beperkingen.

Het Bayern-verlangen zegt vooral iets over hoe we succes lezen

Wat ook meespeelt, is dat mensen succes graag groter maken dan het op dat moment nog is. Een titel wordt dan het begin van een dynastie. Een sterk transferbeleid wordt dan ineens een model dat jarenlang alles gaat bepalen. Die behoefte aan duidelijke hiërarchie is begrijpelijk, maar ze past slecht bij de Nederlandse werkelijkheid.

Pot prikt precies dat idee door.

Niet uit chagrijn, maar omdat de economische onderlaag ontbreekt. Zolang de Eredivisie financieel zo klein blijft in vergelijking met de toplanden, zal ook de grootste Nederlandse club altijd met beperkingen moeten leven die Bayern nauwelijks kent. De club kan een topjaar draaien, misschien twee of drie. Daarna komt er bijna altijd weer iets dat de boel openbreekt: een vertrek, een mislukte campagne, een trainerwissel, een transferzomer die minder raak is dan de vorige.

Zo blijft het systeem zichzelf corrigeren.

PSV kan dominant zijn zonder een Nederlandse Bayern te worden

Daar zit ook een nuance die belangrijk is. Zeggen dat PSV nooit het Bayern van Nederland wordt, is niet hetzelfde als zeggen dat PSV geen dominante club kan zijn. Het betekent alleen dat die dominantie waarschijnlijk cyclisch blijft. Fases van bovenliggen, fases van terugval, fases van opnieuw opbouwen. Net als bij Ajax. Net als eigenlijk bij elke Nederlandse topclub.

Dat is geen belediging, eerder een nuchtere constatering.

En misschien zelfs een gezondere manier om naar de Eredivisie te kijken. Want zodra je accepteert dat blijvende hegemonie hier bijna niet bestaat, ga je succes ook anders beoordelen. Minder als begin van een permanente orde, meer als iets dat slim opgebouwd en steeds opnieuw verdiend moet worden.

Dat is zwaarder. Maar ook eerlijker.

Menno Pot heeft het met PSV uiteindelijk over de grenzen van Nederland

Daarom blijft vooral hangen dat dit verhaal groter is dan Eindhoven alleen. PSV is hier het voorbeeld, niet het enige onderwerp. Wat Pot eigenlijk zegt, is dat Nederlandse topclubs gevangen zitten in een model waarin groot zijn nooit hetzelfde wordt als onaantastbaar zijn. De club kan bovenaan staan, maar nooit echt boven de structuur uitstijgen.

En dat heeft gevolgen voor hoe je beleid beoordeelt, hoe je verwachtingen formuleert en hoe snel je conclusies trekt na een sterk seizoen.

PSV wordt dus waarschijnlijk geen Bayern München van Nederland. Niet omdat de club te klein denkt of te weinig kwaliteit heeft, maar omdat de omgeving te klein is om zo’n status jarenlang vanzelf te dragen. In die zin is dat geen PSV-probleem. Het is een Eredivisie-probleem, of misschien beter gezegd: een Eredivisie-realiteit.

En zolang die realiteit niet verandert, blijft elke Nederlandse grootmacht tijdelijker dan hij op zijn beste dagen oogt.

Van Götze tot Sterling: statementtransfers in Nederland
Hoe Ajax via Rayane Bounida toch waarde creëert
Grootste cultheleden in de geschiedenis van Feyenoord
Huiberts’ erfenis in cijfers bij AZ: 18 toptransfers